maandag, november 28, 2005

28 november: Fisherspooner – Turn On


Genre: Electro

Jaar/land: 2001 (V.S.)

Het moet ongeveer geweest zijn toen er in de V.S. twee torens werden opgeblazen, dat de Amsterdamse modevoorvechters besloten hun haar in het midden tot een ingetogen punkkuif te boetseren. Gelijk daarmee markeerde de commerciële opkomst van het housegenre ‘electro’ de commerciële ondergang van de techno. Electro is inmiddels passé en iedereen heeft het wel meegekregen. Voor wie er iets gemist heeft zijn er de grote ID&T-feesten als Innercity, de Van Den Ende Theatershows van de house. Die lopen net zo achter als de provincialen die nu allemaal zo´n punkkuif dragen.

Electro kan omschreven worden als de elektronische muziek van de jaren ’80 (vroege werk van Depeche Mode, Kraftwerk) in een moderne benadering vanuit de Berlijnse housescene. Ook het album #1 verscheen aanvankelijk op het Duitse label ‘International Deejay Gigolos’ van DJ Hell. Nadat DJ´s als The Hacker de plaat Emerge een aantal maal gedraaid hadden, werden muziekcritici van alle kanten bestookt met de tip om toch maar zeker eens naar Fisherspooner te gaan luisteren. Uit alle vroege recensies van de CD blijkt een scepsis jegens het predikaat ‘meer eigthies dan de eigthies zelf’, die altijd ontkracht werd door het album te luisteren. En inderdaad is #1 een meesterlijk werk. Warren Fisher en Casey Spooner, van origine expirimentele video- en theaterkunstenaars, hebben de housescene even een poepie laten ruiken.

Fragiele stemmen over gladde en gelikte synthetische geluidjes vormen de enige twee ingrediënten van het album. Het is één concept, en ook maar één gevoel dat de heren uitdrukken. Maar ze drukken het heerlijk uit. Turn On is mijn favoriet omdat het ´t enige nummer is dat iets minder klinisch en afstandelijk is, waardoor het waarschijnlijk het langste beklijft.

Luister Turn On hier

27 november: Ernest Ranglin – King Tubby Meets The Rockers

Genre: Jazz/Reggae

Jaar/land: 1996 (Jamaica/V.S.)

De oude en nog steeds actieve gitarist Ernest Ranglin (1932) begon in 1948 op Kingston, Jamaica met spelen en het zou tien jaar duren voor hij met reggae-sterren als Prince Buster kon spelen.

In de tussentijd sloeg hij met zijn jazzvoorliefde een ongewone richting in op het reggae-eiland. Hij improviseerde op big band zowel als traditionele lokale nummers. Hiermee verwerd hij met de Skatalites tot een van de grondleggers van het genre ska, dat weer de moeder van de reggae was. In die tien jaar maakte hij ook opnames bij Clement ‘Coxone’ Dodd’s Studio One, waar ook Bob Marley en de eerder besproken Lloyd & Devon debuteerden. Niet alleen deelden Marley en Ranglin dezelfde studio, onze Bob heeft ook gitaar leren spelen van Ranglin. Ondanks het feit dat Ranglin in 1950 de zaden voor de reggae zaaide, is hij voor velen nu veel prettiger en toegankelijker dan hetgeen daar uit gegroeid is.

Ernest Ranglin belichaamt voor velen de toegankelijke Caribische sound. Zijn ‘westerse debuutalbum’ is met wat hulp van producent en participerend jazzpianist Monty Alexander even toegankelijk geworden als de Buena Vista Social Club dat door Ry Cooder´s inbreng werd. De nummers op dit album zijn ‘versions’ van (of variaties op) bekende reggaenummers. In zijn bewerkingen begint hij met het basloopje (ergo ‘bassline’) van de reggaenummers die hij bewerkt. Daaroverheen speelt hij steeds eerst een ‘westers’ jazzmelodietje, dat hij als vertrekpunt neemt voor zijn virtuoze doch altijd ontspannen improvisaties. De vele charmante herhalingen en de ontspannen beats maken dit tot een ongeëvenaarde Caribische ervaring. Het nummer King Tubby Meets the Rockers is een ‘version’ van het gelijknamige nummer van Augusto Pablo. Dit nummer heeft een baslijn die duidelijk als reggaemelodie herkenbaar is, en die wordt versierd door het bloemrijke spel van zowel Alexander als Ranglin.

Luister hier een sample van King Tubby Meets the Rockers

zondag, november 27, 2005

26 november: J.J. Cale – Lady Luck


Genre: rock / country

Jaar/land: 1990 (V.S.)

Je rijdt ergens in de woestijn van Zuid-Californië, en je merkt dat je ongelofelijk veel zin hebt in een biertje. Meteen nadat die gedachte zich manifesteerde, zie je een trailerpark, waar één van de caravans een loshangend uithangbord draagt, dat bier aanprijst. Wellicht hoor je dan het ontspannen en ongedwongen geplingel van een gitaar. Het geluid volgend, kom je terecht bij een stuk of vier grijze vijftigers die met blikjes bier om een lege ton heen zitten. De één tokkelt wat, de ander neuriet een melodietje. Zo bracht ook cultheld J.J. Cale (1939 – ) zijn dagen door. Het is dat hij in 1991 een contract met Virgin sloot waardoor hij een huis kon kopen, anders zat hij er nog zo bij.

Sinds de jaren ’70 speelt hij feitelijk één en hetzelfde melodietje (zijn eigen woorden), maar dat melodietje is wel erg lekker. Hij is niet zo op woorden. Liever tokkelt hij een beetje, neuriet hij wat. En dan nog mixt hij achteraf het liefst zijn stem weg in de studio. Interviews of optredens, daar houdt hij niet van. Toch gek dat zo´n loner tot inspiratie heeft gediend voor sterren als Mark Knopfler en Eric Clapton. De laatste heeft Cale’s hit Cocaine op prettige wijze verneukt.

Het is aan al zijn albums te horen dat hij zijn leven lang in de obscure nachtclubjes van het Midwest heeft gespeeld. Zijn muziek blijft op de achtergrond, tot er opeens een riedeltje uitspringt dat om aandacht vraagt, en dan alleen zeer voorzichtig. Lady Luck is nummer dat inhoudelijk net zo weinig zegt als zijn andere nummers. Het onderscheidt zich alleen door het heerlijke melodietje. J.J. Cale is altijd geschikt als achtergrondmuziek, en legt een heerlijk onafhankelijk, werkelijk Amerikaans sfeertje neer.

Te beluisteren via: http://www.amazon.com/exec/obidos/tg/wma-pop-up/-/B0000004W1001004/102-6198427-6260107

vrijdag, november 25, 2005

25 november: James Brown – The Boss


Genre: Funk

Jaar/Land: 1973 (V.S.)

Wat valt er nog te zeggen over de legendarische predikant die muzikale god werd? Niet veel. Over zijn leven en muziek is alles inmiddels al wel gezegd. Wel is het de moeite waard de wellicht nadruk te leggen op een minder typische kant van zijn muzikale werk. Hij is bekend geworden om het radicale hijgen en puffen dat iedereen de dansvloer op dwingt, terwijl hij toch ook ingetogener werk heeft afgeleverd.

The Boss verdient aparte aandacht omdat dit nummer de essentie van de macho-man wel erg goed benadert: een ontspannen, zelfverzekerd trompetmelodietje dient als basis voor teksten die neerkomen op: ‘Look at me / know what you see / You see a bad mutha’. Dat is precies het gevoel dat we allemaal willen als we de kroeg ingaan op zoek naar vertier en vrouwelijk gezelschap. In dit nummer horen we de man die we willen zijn. Elke man hoopt dat de potentiële seksuele partners ook daadwerkelijk die ontspannen, nonchalante, goedgeklede bad mutha in hem zien. Wanneer wij mannen dit nummer maar lang genoeg draaien bij het voorbereiden op een avondje stappen, dan doen we vanzelf een strak overhemd aan, smeren ons haar vol brylcream en steken we een sigaret op. The Boss is een nummer dat geschikt is om ontspannen naar de dansvloer te kijken met een glas whisky. Het maant niet tot dansen maar juist tot ontspannen man-zijn.

Voor alle mannen die graag echte mannen zouden willen zijn, klik de volgende link aan en laat je er door leiden in de keuze van je uitgaansoutfit. http://www.amazon.com/exec/obidos/tg/wma-pop-up/-/B000001DZS001005/102-6198427-6260107 (windows media player)

donderdag, november 24, 2005

24 november: Luiz Gonzaga – Sanfona do Povo


Genre: Forró

Jaar/land: 1964 (Brazilië)

Elk land heeft zijn eigen hoge en lage cultuur. Zo heeft ook elk land zijn eigen equivalent van onze André Hazes: een zanger die door ‘het volk’ als nationaal icoon, als herkenbaar thuisgevoel wordt gezien.

Wanneer we voor Brazilië (waar ze Portugees spreken, en geen Spaans, zoals veel mensen nog steeds denken) een dergelijke volkszanger moeten uitkiezen, hebben we een probleem. Aangezien Brazilië cultureel gezien erg nationalistisch is – men spreekt alleen Portugees – is de populaire muziek dientengevolge allemaal Braziliaans. Gelukkig kennen de Brazilianen een sterke muziektraditie. Maar door die sterke muzikaliteit is het moeilijk er één uit te kiezen die dan het nationale symbool wordt. De keuze lijkt te zijn tussen Chico Buarque, António Carlos Jobim en Luiz Gonzaga. Aangezien de eerste twee allebei vertegenwoordigers zijn van de ‘hoge’ cultuur, en de laatste door iedereen aanbeden wordt, sluit ik mij aan bij de groep die Luiz Gonzaga (1912 – 1989) verkiest.

Deze traditionele volkszanger uit het droge Noordoosten van Brazilië heeft in de jaren ´40 het alternatieve volkslied Asa Branca (letterlijk: ‘witte vleugel’, de naam van een voor de regio karakteristieke duivensoort) gecomponeerd, dat de problematische liefde voor het droge land zeer poëtisch en dramatisch verwoordt. Luiz Gonzaga speelt zelf accordeon, hét kenmerkende instrument van forró. Deze muziekstijl is in het begin van de twintigste eeuw ontstaan uit muziek van de Engelse en Franse kolonialen en de simpele Afrikaanse volksmuziek.

Het nummer Sanfona do povo (‘accordeon van het volk’) is echter geen prototypisch forró-liedje; in dit nummer hoort men verscheidene a-typische instrumenten meespelen, die het geheel extra jeu verlenen. Dit nummer klinkt, net als muziek van bijvoorbeeld de Buena Vista Social Club, erg mooi door die exotische romantiek die muziek in een onverstaanbare taal heeft. Tot men begrijpt wat er gezegd wordt – vraag maar aan studenten Spaans. Dan verwordt zo’n romantische artiest opeens tot, gewoon, de André Hazes van Brazilië. Gelukkig is de kans klein dat er zich veel Portugeessprekenden onder mijn leespubliek bevinden.

Sample te beluisteren via: http://www.cliquemusic.com.br/artistas/artistas.asp?Status=DISCO&Nu_Disco=2545

woensdag, november 23, 2005

23 november: Lloyd & Devon – Push Push


Genre: Reggae

Jaar/land: 197?/Jamaica

Bob Marley is zó groot geworden dat niemand meer oog had voor waar hij vandaan kwam: hij kreeg een contract aangeboden van een groot internationaal recordlabel en daarmee verwerd hij tot internationaal erfgoed van de menselijkheid. Jamaica beleefde enige toeristische hoogtijdagen maar dat was voor korte duur, aangezien de meeste Jamaicanen die een instrument konden bespelen snel weg waren, naar Londen of Amerika. Pas toen Marley overleed, en zijn complete werk in honderd verzamelde werken en remixen was heruitgegeven, ging men proberen de lacune die er in reggaeland ontstond, op te vullen. Eerst gebeurde dat met aan de Amerikaanse smaak geassimileerde artiesten zoals Eek-A-Mouse en Yellowman; pas naderhand kwam de aandacht op ‘authentiekere’ reggae te liggen, afkomstig uit het kloppend hart van reggae – de krakkemikkige studio van Coxsonne Dodd in Kingstown, Jamaica. In deze Studio One was het dat Mister Marley zijn eerste plaatjes opnam; ook Ernest Ranglin, ook wel gezien als de grondlegger van de reggae, begon er zijn carrière.

Enkele jaren geleden kwam er voor het eerst een verzamelaar uit van de minder bekende Studio One artiesten. Sindsdien zijn er tientallen albums uitgekomen, elk met een ander thema. Elk van de albums heeft er wel een pareltje tussen zitten, maar vandaag bespreken we er één die op het album Studio One Disco Mix staat: Push Push van Lloyd en Devon. De heren heten voluit Lloyd Robinson & Devon Russell. Ze hebben samen een nummertje of vijf opgenomen, en er blijven nieuwe opnames opduiken. Het is niet zo gek dat dat even duurt, aangezien de heren geen cent te makken hadden en dus slechts 12-inches konden opnemen, plaatjes met slechts één nummer.

Push Push is een uitermate funky reggaenummer waarin een Hammondorgeltje met een saxofoon en een vreemd computerbliepje om elkaar dansen; Lloyd en Devon zingen samen dezelfde, simpele teksten, waarbij de één hoog, en de ander laag zingt. Ze zingen net uit de maat allebei, wat het nummer een kinky effect geeft: je kan horen dat het warm kan zijn op Jamaica. Dit nummer leent zich, net zoals de rest van het album overigens, uitermate goed voor een jointje en een fruitsapje.

Te beluisteren via: http://www.souljazzrecords.co.uk/audio/files/98/170.m3u

dinsdag, november 22, 2005

22 November: Brand Nubian featuring Diamond D. – Kick Styles


Genre: Rap
Jaar/land: 1994 (V.S.)

Rapgroepen worden vanouds ingedeeld in West Coast en East Coast. Sinds enige jaren is daar ook de South Side bijgekomen - een North Coast heeft zich nog niet aangediend. Brand Nubian moet geografisch gezien bij de Oostzijde worden ingedeeld. In tegenstelling tot de buren maakt dat ze echter niet uit: Brand Nubian associëert zich met een andere groepering. De jaren ´90 kent een grote Islamitische beweging in de rapwereld waar ook bijvoorbeeld A Tribe Called Quest aan meedeed. Een van de militantere groepen in deze scene is ongetwijfeld Brand Nubian (1989) geweest, bestaande uit Grand Puba en Sadat X. Ze zijn, net als de Tribe, erg Afro-Amerikaans en daar, met goed recht, trots op. Tegenwoordig zijn deze heren samen voornamelijk bekend bij de Old School of Underground liefhebbers.

Zonde, want de serieuze toon die je nu zou verwachten is totaal niet terug te horen aan hun succesvolle nummers. In de regels zijn die juist licht en feestelijk van aard: neem zo ‘Kick Styles’, een echt relaxed feestnummer. Een rustige standaard-beat vormt de achtergrond van een sprankelende xilofoon-sample en een licht harp-riedeltje. Aan dit nummer werkt ook de man-van-de-baard-in-de-keel Diamond D. mee, die zijn naam en faam dankt aan collaboraties met de Fugees (The Score) en de jongens van Soundbombing II. Het is vooral zijn verse die in dit nummer opvalt: hij flowt lekker melodieus van die rijmzinnetjes die zich uitmuntend lenen voor een poging ze na te doen: 'Oh really? Ya didn´t figure / that I would ever be the nigger living much bigger / chillin' with my nigger jigger.' Het gaat helemaal nergens over maar dat is ook niet belangrijk - echt relevant is eigenlijk alleen de lekkere feestsfeer die ze neerleggen.

Niet te beluisteren via internet (volgens mij) maar wel te downloaden via Soulseek.


maandag, november 21, 2005

21 november: Miles Davis – Freddie Freeloader


Genre: Jazz
Jaar/land: 1959 (V.S.)

Een jazzalbum uit de ‘echte’ jazztijd moet je eigenlijk beschouwen als een organisch geheel. De artiest heeft het album hoogstwaarschijnlijk ook als geheel geprobeerd vorm te geven. De meeste albums ademen dan ook een geheel eigen, karakteristieke sfeer uit. Zo is Kind of Blue ook. Dit is het beste album in zijn genre, en wellicht een van de beste albums ooit gemaakt. Kind of Blue is als een gedicht: elk nummer kan gezien worden als een zin, die zijn waarde ontleent aan zichzelf maar ook aan de zinnen die eraan voorafgaan en er op volgen. Je kan een nummer, zoals Freddie Freeloader, apart downloaden, beluisteren, beoordelen en bespreken, en dan bespreek je ook wel een heel mooi nummer – maar het blijft of je een zin uit een gedicht haalt om alleen die zin te bespreken. En dat hoort niet, dan mis je iets. Vanuit het oogpunt van consistentie bespreek ik echter toch alleen nummer 2 van de plaat.

Freddie Freeloader ontleent, net als overigens alle nummers op Kind of Blue, zijn waarde en uniciteit voor een deel aan wat het niet is, of liever, aan wat het anders is dan de andere nummers. Het grote plaatje is een eenheid, zeer divers, en wanneer er één nummer zou wegvallen, dan zou er iets missen. We kunnen Freddie Freeloader beoordelen door ons af te vragen wat er zou missen als het nummer niet op het album stond. Hoe zou het zijn als So What overliep in Blue in Green? Wat we zouden missen is een met het voorgaande nummer vergeleken relatief licht en luchtig lied, dat toch net zo swingt als het eerste nummer. Het zou, denk ik, niet goed passen om meteen na het eerste nummer een rustig ‘closing time’-nummer als Blue in Green te plaatsen, men zou zich afvragen: uitrusten waarvan?

Jazz staat voor veel mensen synoniem aan chaotisch gepiep; voor blaasinstrumenten die door zwetende negers bespeeld worden om er werkelijk elk mogelijk geluid uit te halen, echter zonder daarin die symfonische harmonie uit te halen die zo wenselijk is als je de krant zit te lezen. Wel, juist voor mensen met die opvatting is Kind of Blue een mooie instapper in de jazzwereld. Het album is symfonisch tot in de tenen en, als ware het een ontmaagding, neemt de harmonieliefhebber stapje voor stapje mee, steeds een beetje dieper de heerlijke onkuise wereld van de improvisatie in. Het ultieme (kerst)kado.

Opgenomen door de meester samen met John Coltrane, Cannonball Adderley, Bill Evans, Wynton Kelly, Paul Chambers en Jimmy Cobb.

Te beluisteren via: http://www.sonymusic.com/clips/selection/30/064935/064935_01_02_30.ram

zondag, november 20, 2005

20 november: Octave One - Blackwater (Instrumental mix)


Genre: House
Jaar/land: 2002 (Spanje)

De clubhouse brengt zo nu en dan een plaatje voort dat ook in andere housescenes aanslaat. Blackwater is zo´n plaat. Wanneer iemand echter het origineel met vocals van Ann Saunderson zou beluisteren, dan zou hij deze conclusie niet trekken - de smerige, zwoele en overtrokken clubvocals leiden op hinderlijke wijze de aandacht af van het meesterlijke instrumentele melodietje.
En het is juist dat melodietje dat ongenadig veel gesampled werd en door electro-DJ´s all over gebruikt wordt. Wat maakt het dat een melodietje zich in hoge mate leent voor XTC-gebruik? Ik weet het niet, maar ik weet wel dat de instrumental van Blackwater die eigenschap in hoge mate heeft.

Te beluisteren via: http://www.tigersushi.com/site/frameset.jsp?page=Rcd.jsp&RcdId=4955


zaterdag, november 19, 2005

19 november: G. Love and Special Sauce - Lay Down the Law


Genre: Folk/Blues/Rap
Jaar/Land: 1994 (V.S.)

G. Love (Garrett Dutton) startte in 1994 met een muziekstijl die hij zelf ´Bluesrap´ doopte. In navolging van Beck zijn relaxte 'ontspannen-witte-jongensrap' speelt G. Love akoestische riedeltjes die het midden houden tussen folk en blues en begeleidt dit met zijn sarcastisch klinkende stem.

Het werk van de redelijk onbekende G. Love heeft als inspiratie en wegbereiding gediend voor onder andere surfmuzikant Jack Johnson, die net als G. Love de nadruk legt op ontspannen. Ik weet niet of iedereen in Philadelphia een veranda heeft, maar ik zie mezelf telkens als ik G. Love opzet onveranderlijk op een houten veranda zitten met een gitaar en een glas limoenlimonade.

Voor de namiddagen dat je de zon mist.
Luister via: http://www.amazon.com/exec/obidos/clipserve/B000002BPC001003/1/ref=mu_sam_ra001_003/104-4741285-6492751 (realplayer)

vrijdag, november 18, 2005

18 november: Mahmoud Ahmed - Ere Mela Mela/Metche New


Genre: Jazz
Jaar/land: 1976 (Ethiopië )

Wanneer we het over obscure muziek hebben dan mag Mahmoud Ahmed (1941) niet ontbreken. Deze Ethiopische Jazzartiest wordt ook wel de ´James Brown van Ethiopië´ genoemd. En geheel onterecht overigens, want dat is Alemayehu Eshete.

Ahmed komt uit het noordelijke district Addis Ababa en begon zijn muzikale carrière bij één van de staatsbands van Haile Sellassie, de Imperial Body Guard Band. Om zijn 'eigen' muziek te kunnen spelen, en niet constant de lof van de machthebbers te hoeven bezingen, zag Ahmed zich vaak gedwongen in internationale hotels achter gesloten deuren te spelen. Het resultaat is dat het lang duurde tot hij iets van internationale erkenning kreeg voor zijn specifieke muziekstijl. Het gevolg is ook dat de basdrum en het orgel klinken als door een hotelmuur - sterk gedempt.

Sellassie en andere dictators verboden min of meer na 1960 buitenlandse muziek, waardoor de Ethiopische muzikanten tot 1980 dezelfde muziek bleven spelen. In die twintig jaar hebben artiesten als Ahmed met veel fantasie de Amerikaanse jazz vermengd met de eigen traditionele muziek. Het resultaat is exotisch, zoals onder andere het meesterlijke nummer Ere Mela Mela/Metche New bewijst. Fluiten en trompetten zweven boven de gedempte baslijntjes en manen tot erotisch heupwiegen.

Voor iedereen die eens iets anders wil bij zijn bakje Ethiopische koffie.
http://www.aquariusrecords.org/audio/ethiopiques7eremelamela.m3u

donderdag, november 17, 2005

17 November: Yusef Lateef - Love Theme from Spartacus


Genre: Jazz
Jaar/land: opname 1961, release 1991 (V.S.)

Dit nummer is afkomstig van de plaat Eastern Sounds en overstijgt de grenzen van het Jazzgenre, dat voor sommigen toch te heftig is. Daarmee is dit prachtige nummer in staat iedereen aan te grijpen. Want aangrijpend is dit nummer zeker, waarin de piano en hobo een romantisch en erotisch dialoog aangaan. Het is een exotische mix van Souljazz en oriëntale melodieën.

Een ode aan de Romeinse, voorhoofse, liefde voor iedereen die van mooie muziek houdt.

Sample te beluisteren via: http://www.amazon.com/gp/product/B000000YSL/104-4741285-6492751?v=glance&n=5174&n=507846&s=music&v=glance

woensdag, november 16, 2005

16 November: Nathan Fake - The Sky was Pink (James Holden Remix)

woensdag, 11:52 Genre: House
Jaar/land: 2005 (Groot Britannië )

Een vreemde minimal-original geremixed door een van origine Progressive DJ. De remix combineert ruim tien aanstekelijke minuten springerige bliepgeluidjes met zweverige trancegolven.

Het resultaat: een verrassende plaat vol vreemde variatie die de heerlijke verwardheid van een gedrogeerd menselijk brein goed weergeeft. De bijna trance-achtige minimal plaat kan goed als afsluiter van een feestje dienen.

Te beluisteren via
http://www.covert.uk.com/choons.cfm?choon=13221 en natuurlijk via Soulseek te downloaden.